Het paard van Medina

Wat is cultuur?

Misschien lijkt dit op het eerste gezicht een wat vreemde, zelfs overbodige vraag. We spreken van de Westerse of de Oosterse cultuur, maar hebben het ook over artistieke cultuur, televisie- en eetcultuur, en over ‘cultuurbarbaren’. Het begrip cultuur lijkt dus zowel van toepassing op de gewoonten en gebruiken van een heel volk als op het gedrag en de expressie van een individu. Een flink deel van de ‘algemene’ cultuur is geografisch en historisch bepaald. Wie wordt geboren in Nieuw-Guinea zal er een heel andere levenswijze op nahouden dan iemand die in Saoudi-Arabië of in Texas ter wereld komt. Iemand die in een land met een christelijke traditie opgroeit, heeft veel meer kans dat hij of zij met christelijke waarden en overtuigingen wordt opgevoed dan iemand in Iran of in Thailand. De filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) sprak in dat verband van een ‘levensvorm’(1).

Daarmee bedoelde hij zoiets als een gegevenheid. Geologie, klimaat, mythologie, overlevering, maar ook taal en denken zorgen ervoor dat iemand van bij zijn geboorte wordt beïnvloed door omstandigheden, gewoonten en ideeën waar hij of zij geen vat op heeft. Bergbewoners hebben heel andere problemen om zich te verplaatsen dan nomaden of eskimo’s, of dan door files geplaagde westerlingen. Voor eilandbewoners is een boot even belangrijk als een slee of een sneeuwscooter voor de Inuit. Cultuur – in zijn meest algemene betekenis – ontstaat wanneer mensen naar manieren gaan zoeken om een aanwezige levensvorm bewoonbaar te maken en er zich in te ontwikkelen.

Naarmate een cultuur ingang vindt en evolueert, gaat hij voor een groot deel zelf tot een levensvorm behoren. Er bestaat tussen beide dus een wisselwerking die tot gevolg heeft dat er dynamiek is. Ook wetenschappelijke en medische ontwikkelingen bepalen voor een groot deel de manier waarop een levensvorm zich manifesteert. De overlevingskansen in een maatschappij die beschikt over antibiotica zijn heel anders dan die in een samenleving zonder. Aan de gegevenheid van een bepaalde levensvorm ontsnapt dus niemand. Het is in zekere zin een noodlot. Men kan dan ook niemand verwijten dat hij of zij overgeleverde culturele, religieuze of sociale waarden heeft die afwijken van opvattingen die elders gangbaar zijn. Net zoals mensen van elkaar verschillen door hun overgeërfde genen, zo worden ze ook voor een flink stuk bepaald door de levensvorm waarin ze worden geboren en opgroeien.

Naast deze algemene benadering van het begrip cultuur zijn er natuurlijk nog andere mogelijk, die meer tot de individuele sfeer behoren. Cultuur wordt dan opgevat als een expressiemiddel, zoals de verschillende kunstuitingen, of als een middel om zijn eigen leven of dat van anderen in te richten en vorm te geven. Dat kan door er waarden, objecten of persoonlijke opvattingen aan toe te voegen, maar ook door ze weg te laten, waardoor er een karakteristieke manier van leven ontstaat. Dit soort – individuele – cultuur krijgt bijna altijd vorm via een persoonlijke keuze die zijn rechtvaardiging vindt in een eigen rangorde van waarden en ethische voorschriften. Daarbij speelt niet alleen het eigenbelang een grote rol, maar ook het groepsgevoel. De waarden die men aanhangt en verdedigt, kunnen zowel positief als negatief zijn. Ook binnen de georganiseerde misdaad heerst wel degelijk een bepaalde ‘cultuur’, hoe verwerpelijk hij ook is. Wanneer cultuur een waardebepalende en zingevende levenswijze wordt, spreken we dan ook niet meer van een levensvorm, maar van een wereldbeeld.

Een levensvorm is immers algemeen en gegeven; een wereldbeeld, daarentegen, is ontworpen en heeft een persoonlijk stempel gekregen. De meeste mensen denken daar niet bewust over na, maar accepteren en volgen kritiekloos het wereldbeeld dat anderen voor hen hebben ontworpen. Dat wordt heel duidelijk wanneer we naar de massacultuur en -media kijken. Die hanteren middelen die maar al te graag worden gebruikt (of misbruikt) voor winstgevende en politieke doeleinden. Dat men iemands wereldbeeld op die manier ingrijpend kan veranderen, blijkt bijvoorbeeld uit de nazipropaganda of uit de opruiende boodschappen van Radio Télévision Libre des Mille Collines die de genocide in Rwanda voorafgingen.

Ook technische ontwikkelingen, uitvindingen of natuurwetenschappelijke ontdekkingen kunnen ons wereldbeeld drastisch wijzigen. De landing op de maan, de relativiteitstheorie, de dreiging van de atoombom en van andere massavernietigingswapens zijn daar allemaal voorbeelden van. Sommige kunstenaars, schrijvers of filosofen kunnen ook door hun werk mensen aanzetten om op een andere manier naar de werkelijkheid te kijken. En religies zijn het middel bij uitstek om mensen een gemeenschappelijk wereldbeeld te geven. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, zolang er tenminste sprake is van vrije keuze. Een opgedrongen wereldbeeld, dat dan ook nog eens aanspraak maakt op algemene geldigheid en op dé waarheid, is echter niet alleen problematisch maar ook een groot gevaar.

Religie als wereldbeeld

Het lijkt wel alsof religie ‘des mensens’ is, want doorheen de hele menselijke geschiedenis duikt het geloof aan bovennatuurlijke krachten op. In de antieke mythologieën waren het vaak onverklaarbare natuurverschijnselen die aanleiding gaven tot de creatie en aanbidding van – meestal – meerdere goden. Godsdiensthistoricus Mircea Eliade (1907-1986) heeft daar heel verhelderende boeken over geschreven (2). Volgens Eliade is de natuur voor een religieus mens nooit exclusief ‘natuurlijk’, maar altijd geladen met een ‘boven’natuurlijke kracht. Het is immers een schepping van God, waar ook de mens deel van uitmaakt (3). Heel wat religieuze aspecten hebben een duidelijk mythische achtergrond, en zijn ontstaan uit de confrontatie tussen de (pre-wetenschappelijke) mens en allerlei ongebreidelde natuurkrachten. Op die manier heeft de bestaande levensvorm aanleiding gegeven tot een bepaald (religieus geïnspireerd) wereldbeeld.

De godsdienstige mens kijkt naar de werkelijkheid door een soort driedimensionele bril. Wat hij of zij ziet, is slechts een oppervlakkig deel van de realiteit die immers tot iets veel groters behoort, waarnaar men eventueel kan terugkeren na de dood. Die terugkeer naar de ‘oerstaat’ of het zuivere begin is een gegeven dat in veel religies opduikt. De meeste godsdiensten geloven ook dat de wereld, zelfs het hele universum, werd geschapen door een goddelijke instantie. De vraag wie die scheppende god dan heeft ontworpen, wordt daarbij zelden of nooit gesteld. Het is evenmin duidelijk hoe de mens eraan toe was die vóór een bepaalde religieuze openbaring leefde. Telt hij niet mee? Worden zijn daden niet in rekening gebracht of beoordeeld? Of zijn er op hem andere spelregels van toepassing?

Sommige religieuze wereldbeelden houden het niet lang vol, bijvoorbeeld omdat ze door de wetenschap of door de realiteit zelf worden ingehaald. Getuigen van Jehova hebben al meermaals het einde van de wereld op een specifieke datum voorspeld, maar zijn tot hiertoe telkens bedrogen uitgekomen. Andere godsdiensten, zoals die van hindoes, christenen, joden en moslims hebben blijkbaar een langere houdbaarheidsdatum. Volkeren die meer dan één god aanbidden (polytheïsme) lijken in de loop van de geschiedenis toleranter te zijn geweest dan monotheïsten. Maar zo lang religie wordt beleefd als onderdeel van een wereldbeeld, hoeft ze geen probleem te zijn.

Een wereldbeeld is immers niet statisch en moét zich in zekere zin wel aanpassen aan nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen en inzichten. Zo heeft de Kerk zich lang hevig verzet tegen het copernicaanse heelal van Galileo Galileï, tot de bewijzen ervoor te overweldigend werden. Ook Darwin kwam in botsing met de religie, toen hij zijn evolutietheorie wereldkundig maakte. Wanneer het echt niet anders kan, wringen gelovigen zich soms in vreemde bochten. De Amerikaan Stephen Jay Gould ontwikkelde zijn NOMA-principe, waarmee hij ‘niet-overlappende magisteria’ bedoelde. Of anders gezegd: zelfs als Darwin gelijk had en de mens afstamt van de aap, die zelf een stap in de ontwikkeling van het leven op aarde is, dan nog hoeft dat geen tegenspraak met een scheppende god te betekenen. Religie en wetenschap bevinden zich, aldus Gould, immers op heel andere niveaus…

Het christendom presenteert zich, in tegenstelling tot enkele eeuwen geleden, gelukkig niet meer als een universele waarheid, zeg maar: een gegeven levensvorm. In de bijbeluitgave van 2004 worden het Oude en het Nieuwe Testament duidelijk in een literaire traditie geplaatst. Bovendien werd er een handige oplossing gezocht voor de gruwelijkheden die, in Deuteronomium, in naam van god worden begaan. Die teksten behoren immers, aldus de inleiding, tot de ‘apocriefe’ boeken die later aan de bijbel werden toegevoegd en die bijgevolg niet ‘gezaghebbend’ zijn. Zelfs in de verkorte pocketuitgave van het Oude Testament uit 1954 staat al te lezen dat ‘alhoewel de Heilige Schrift in al haar onderdelen volgens de LETTERLIJKE ZIN (moet) worden verstaan’ we toch niet uit het oog mogen verliezen dat de schrijvers ervan zich veelvuldig hebben bediend van ‘beelden en symbolen’ die deel uitmaken van ‘literaire procédés’. Hoe een letterlijke en een figuurlijke betekenis van een en hetzelfde met elkaar te rijmen zijn, is mij niet helemaal duidelijk. Maar wat wél duidelijk is, is dat de kerkleiding hiermee een slag om de arm heeft willen houden, waarschijnlijk om de vaak wrede en bloederige passages van een dubbele bodem te voorzien. Met deze kunstgreep heeft de katholieke kerk de overstap gemaakt van ‘levensvorm’ naar ‘wereldbeeld’.

Religie als levensvorm

Die stap heeft de islam tot hiertoe niet gezet, met alle gevolgen vandien. De koran is nog altijd het letterlijke woord van ‘Eén God (…) naast Wie er geen andere goden zijn’(4). ‘Elke aanval op de waarachtigheid en waarheidsgetrouwheid van de Koran wordt door moslims dan ook hoog opgenomen’, schrijft J.J.G. Jansen in zijn inleiding tot de vertaling. Met andere woorden: de islam presenteert zich niet als een wereldbeeld, maar als een universele levensvorm! En juist doordat deze religie ook – en misschien zelfs vooral – politiek gezag beoogt, kunnen we hier spreken van een totalitair régime dat geen enkele uitzondering op de regel duldt. Wie niet tot ‘Mein Kampf’ behoort, is bijgevolg een vijand die wereldwijd moet vernietigd worden.

In discussies over de islam valt het mij altijd weer op dat veel niet-moslims die ‘letterlijkheid’ van Allah’s woorden met een grote korrel zout lijken te nemen. Volgens hen zijn er immers ook heel wat gematigde moslims die niet alles geloven en verdedigen wat er in de koran staat. Dat kan – hopelijk – best zijn, maar strikt genomen zijn dat geen moslims. Een ‘gematigd’ moslim bestaat eigenlijk niet, wat trouwens duidelijk wordt bewezen door het feit dat Islamitische Staat zich niet alleen tegen het westen richt, maar ook tegen moslims die niet streng volgens het salafisme leven. Je kunt niet zomaar ‘een beetje’ moslim zijn, zoals ook al in de koran staat: ‘Gelooft gij dan in een deel van de Schrift en zijt gij ongelovig in een ander deel?’ (Sũra 2, 85). Wie dat doet, wacht ‘de hevigste bestraffing’. Het is dus alles of niks.

Vaak hoor je de verdedigers van de islam (vooral dan degenen die nooit de moeite hebben genomen om de koran te lezen) ook verklaren dat de profeet Mohammed een vredelievende en zachtaardige figuur was, die niemand kwaad zou doen. Dat geldt misschien voor de Mohammed uit Mekka, maar beslist niet voor diezelfde profeet die vanuit Medina de ene na de andere militaire veroveringstocht ondernam. Vanaf dat ogenblik wierp Mohammed zich op als een dictatoriaal en onverdraagzaam heerser die alles en iedereen aan zich wilde onderwerpen in naam van Allah. ‘God is waarlijk vijandig jegens de ongelovigen’, staat er te lezen in Sũra 2, 98. En ‘U is voorgeschreven te strijden ook al is het met tegenzin’ (Sũra 2, 216). Wie het allemaal niet zo ‘letterlijk’ neemt is dus geen ‘goede’ moslim. Het klinkt cynisch, ik weet het, maar de échte moslims, zoals Mohammed ze voorstelt, zijn de huidige strijders van IS. Er zijn trouwens heel wat parallellen te trekken tussen de islam en het fascisme. Beide verlangen terug naar de oorspronkelijke ‘zuiverheid’ (van ras en geloof), aanvaarden geen andersdenkenden of afwijkende meningen, en gebruiken militair geweld en blinde terreur om hun doel te bereiken.

Iedere vorm van relativering is de islam vreemd. Cultuur, wereldbeeld en levensvorm vallen bij hen volkomen samen. Voor iets anders is er dan ook geen plaats. Moslims voelen zich superieur aan alles en iedereen, want Mohammed was en is de allerlaatste profeet. Een paar jaar vóór de aanslag op de WTC-torens heb ik een tiental dagen met een rugzak door Iran gereisd. Ik kan en wil niet ontkennen dat ik er veel vriendelijke mensen heb ontmoet, maar over één ding viel niet te praten: godsdienst. De islam is voor hen de enige, ondeelbare Waarheid die zij in pacht hebben. De misplaatste westerse tolerantie, met name van linkse politici en opiniemakers, tegenover de absoluutheid van een religie die het liefst op een wereldheerschappij zou aansturen, is niet alleen dom en kortzichtig, maar ook ronduit gevaarlijk.

Tot waar reikt tolerantie?

In zijn magistraal boek Een theorie van rechtvaardigheid (5) verwerpt John Rawls het idee van een confessionele staat, aangezien dit een einde zou maken aan iedere morele, persoonlijke en religieuze vrijheid (6). Tegelijkertijd vraagt hij zich af hoe ver we kunnen gaan in ‘het tolereren van intoleranten’. Rawls gaat daar behoorlijk ver in, in de hoop dat de intoleranten op den duur zelf gaan inzien dat ze meer gebaat zijn bij een systeem van wederzijds respect en vrije keuzemogelijkheden. Hij trekt eigenlijk maar één grens, die door niemand mag worden overschreden, en dat is De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waartoe ook godsdienstvrijheid behoort. Maar, zo schrijft Rawls, ‘dit religieuze beginsel geeft niemand het recht om een grotere vrijheid voor zichzelf te eisen inzake wet of politiek’(7).

Dat is nu precies wat de islam in het westen doet. We kennen er allemaal voorbeelden van. Vanuit het recht op vrijheid van godsdienst eisen moslims dat er moskeeën worden gebouwd, waarin ze vervolgens oproepen om onze levenswijze en religie te bestrijden. De wet op het dierenwelzijn is er blijkbaar niet voor moslims, want – louter en alleen omwille van hun religieuze overtuiging – mogen zij dieren op de meest pijnlijke manier slachten. Iedere vorm van kritiek wordt afgedaan als een uiting van racisme. Radicalisering en terreur zijn telkens weer de schuld van intolerante westerlingen of van uitsluiting. Het verbod op hoofddoeken en boerka’s beschouwen ze als een schending van hun geloof en mensenrechten. Hun vrouwen eisen aparte zwemuurtjes op, terwijl onze vrouwen in steden als Brussel dagelijks worden uitgemaakt voor hoeren. Zogenaamde beledigingen van de profeet (denk aan de Deense cartoons of aan De Duivelsverzen van Salman Rushdie) worden meteen met een wereldwijd doodvonnis bestraft. Mohammed B., de moordenaar van Theo Van Gogh, wordt door heel wat moslims in binnen- en buitenland als een martelaar voor het geloof beschouwd.

Het zijn overigens niet alleen de moslims zelf die geen enkele kritiek dulden. Ook onze (vooral linkse) media censureren dat het een lieve lust is en laten maar al te graag provocerende opiniemakers aan het woord die een lans breken voor de islam. Een groot deel van onze ‘intelligentsia’ is blijkbaar bereid om alle waarden overboord te gooien, om toch maar voor ruimdenkend en tolerant door te gaan. Mijn reacties op het forum van http://www.deredactie.be , van Knack.be en van De Morgen.be werden geweigerd of binnen de kortste keren verwijderd. Door deze misplaatste politieke correctheid heeft de islam zich in ons land kunnen ontwikkelen tot een tumor, die – vrees ik – niet meer te opereren is zonder gevaar voor de patiënt.

Een moedig man als Afshin Ellian, zelf ex-moslim (wat trouwens al volstaat om met de dood te worden bedreigd), die het aandurft om, onder meer in Elsevier, kritiek te uiten op de multiculturele samenleving en op de onverdraagzaamheid van de islam, zou hier doodeenvoudig geen podium vinden. Politieke leiders overal ter wereld beweren dat hun militaire acties tegen IS géén strijd tegen de islam zijn. Natuurlijk zijn ze dat wel. Maar zoiets mag of kan niet worden gezegd, want dat zou de broze samenwerking met andere moslimlanden, die doorgaans over veel olie beschikken, op de helling kunnen zetten.

Onze westerse samenleving is in sneltempo aan het afglijden naar een – letterlijk – ‘waardeloze’ maatschappij, waarin het blijkbaar niet meer toegelaten is de eigen cultuur te verdedigen. Een van de meest absurde voorbeelden daarvan is het recente Nederlandse verbod om de Zwarte Pieten van Sint-Niklaas nog langer zwart te laten zijn. Want, zo hebben heel wat organisaties, opiniemakers, juristen, rechters en verdedigers van de mensenrechten geopperd: zoiets is racistisch. Vanaf nu moeten de ‘Zwarte’ Pieten dan ook wit, geel of grijs zijn…

Een oplossing?

Hier en daar hoor ik stemmen opgaan om de koran, een boek dat oproept tot haat, onverdraagzaamheid, moord en doodslag, te verbieden. Daar valt iets voor te zeggen, was het niet dat het mij in de praktijk bijna onmogelijk lijkt om zoiets te doen. Wat we wél kunnen doen, als we tenminste bereid zijn om op te komen voor onze eigen waarden en cultuur, is eisen dat moslims de sharia en de koranvoorschriften niet langer boven die van het land stellen waar ze verblijven. Zo kon de moordenaar van Theo Van Gogh zijn gruwelijke daad rechtvaardigen door te zeggen dat hij de Nederlandse wetten en rechtsorde niet aanvaardde, omdat ze, volgens hem, ondergeschikt zijn aan de wetten van Allah. Wanneer een inwoner van een westers land zou verkondigen dat hij de wetten van zijn land niet langer erkent en dat hij nog maar alleen wil gehoorzamen aan goddelijke bevelen, dan zou hij als een staatsgevaarlijke anarchist (of als een gek) worden beschouwd. Waarom dan, blijven we dulden dat moslims dat wel doen?

Religies hebben in de geschiedenis van de mensheid al voor veel onheil, geweld en gruwel gezorgd. De wereld zou dan ook beter af zijn zonder. Gelovigen brengen daar meestal tegenin dat er zonder geloof geen ethische principes of zingeving meer zouden bestaan. Als we de ethische geboden uit de bijbel als richtlijn zouden nemen, dan zaten we nog in de tijd van de kruisvaarten. Dat moslims daar inderdaad nog altijd in leven, bewijst het bestaan van Islamitische Staat. En waar komt – in godsnaam – de absurde idee vandaan dat ons ‘aardse’ leven alleen maar betekenis zou hebben in het licht van een eeuwig voortbestaan?

Dat onze democratie almaar meer afglijdt naar een particratie waarin de verkozenen niet langer de wil van het volk vertegenwoordigen, maar alleen de partij(standpunten), is een zorgwekkende evolutie. Dat onze politici zoveel misplaatst respect tonen voor een religie als de islam, die zich verheven waant boven de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht, is bovendien een angstaanjagende ontwikkeling, die onze cultuur en democratische principes ernstig in gevaar brengt. Het ziet ernaar uit dat zij, met hun onvermogen of onwil om onze cultuur en waarden te verdedigen, het paard van Medina hebben binnengehaald.


Voetnoten

  1. Zie onder meer zijn: Filosofische onderzoekingen, Boom Meppel, 1976
  2.  Zie onder meer: Se sacré et le profane, Gallimard, 1965 en La nostalgie des origines, Gallimard, 1971
  3. Zie: Mircea Eliade, Le sacré et le profane, p.99
  4. Zie de Inleiding tot de koranvertaling van J.H. Kramers, De Arbeiderspers, 1997
  5. Leminiscaat, 2009
  6. Zie hoofdstuk 4, deel 34
  7. Zie p.244
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s